Waarom bedrijven verdwijnen: wat vijftig jaar data leert
Als verdwijnen telt BCG elke beursnotering die eindigt, door faillissement, overname of het van de beurs halen. Economische groei hangt daar nauwelijks mee samen. In de financiële crisis stegen de faillissementen wel, maar daalde het aantal overnames, waardoor het totaal amper veranderde. Veel bepalender is duur geld: na de rentepiek begin jaren tachtig steeg het risico met zo’n 11 procentpunt. Ook deregulering, zoals in de luchtvaart en telecom, en golven van beursintroducties met jonge, kwetsbare bedrijven gingen telkens vooraf aan pieken in het aantal verdwijningen.
Daarnaast hangt het risico sterk af van het bedrijf zelf. Jonge en kleine bedrijven lopen het meeste gevaar: bij de kleinste is het vijfjaarsrisico ongeveer 26 procent, bij de grootste 8 procent. Sectoren lopen vooral uiteen bij schokken die hun verdienmodel raken, zoals een olieprijscrash voor energiebedrijven. Dat het risico sinds 2000 daalde van 40 naar 18 procent, komt volgens BCG vooral door strengere beursregels en overheidssteun, niet door sterkere bedrijven. Bestuurders doen er daarom goed aan buffers op te bouwen en niet alleen de conjunctuur te volgen, maar vooral rente en regelgeving.
Dit is een samenvatting van het volledige artikel op de site van BCG.